Wie mag er bij God wonen?

Psalm 15 en de Bergrede, Wie mag er bij God wonen?

 

Inleiding

Het centrale thema van dit stukje zal de korte maar toch interessante psalm 15 zijn. Psalmen is een ontzettend mooi boek, met korte psalmen en hele lange psalmen. Veel psalmen maken veel indruk. Psalm 15 heeft een vraag antwoord structuur en heeft maar een aantal verzen.

 

Introductie

Als we de psalm lezen dan begint psalm 15 meteen met een vraag: “Een psalm van David. HEER, wie mag gast zijn in uw tent, wie mag wonen op uw heilige berg? “
Als we dan het antwoord lezen wanneer we verder gaan, lijkt het alsof God antwoord geeft en voel je het bijna alsof een duidelijke stem het vervolg zegt: “Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is, wie oprecht de waarheid spreekt, niet aan lasterpraat meedoet, de ander niet benadeelt en geen spot drijft met zijn naaste.“


Het antwoord op de vraag wie op Gods heilige berg mag wonen is duidelijk: Wees goed.
Voor wie was deze psalm eigenlijk bedoeld? De psalm opent met het woord WIE, dat is een open vraag. En als David het heeft over de heilige berg en de tent van God. Dan weet je dat dat duidelijk met de tabernakel is verbonden, en bij de tabernakel was ook plek voor niet-Joden en vreemdelingen. Dus we kunnen zeggen dat de vraag niet alleen voor Joden maar ook voor niet-Joden wordt gesteld.

En als we naar het antwoord kijken, valt het op dat de eigenschappen van de mensen die bij God mogen komen ook helemaal niet afhankelijk zijn van iemands afkomst. Het gaat er niet om waar je vandaan komt, uit welke familie of volk je komt, maar om wat voor persoon je bent.

Nu vraag ik me af, als deze psalm, wat ook vroeger al een lied was, voor iedereen was en is bedoeld, hoe werden dan al die mensen bereikt?
Nou daar is wat over te zeggen. Psalm 15 moeten we zien als een lied dat werd gezongen als de gelovigen naar de tabernakel gingen, bijvoorbeeld bij een van de feesten waar heel het volk naartoe ging. Voordat mensen daar aan kwamen zouden ze deze psalm hebben kunnen horen. Zie je het al voor je, Jeruzalem is helemaal vol met gelovigen en buiten klinkt het gezang van deze psalm?
De psalm vraagt de aanbidder of hij of zij zich wel bewust is waarom hij hier is, zodat de gelovige ook echt wat heeft om over na te denken.


En waarom is het nou een vraag met een antwoord?
De vraag antwoord structuur is niet bedoeld om mensen uit te sluiten maar juist om indruk te maken, zodat mensen erover nadachten voordat ze naar de tabernakel gingen. Zie je de koren al zingend voor de tabernakel en in de stad? David wil dat de mensen door hebben waar het echt om draait.

 

Niet offers maar je hart en daden

Veel mensen die naar de tabernakel gingen, gingen om een offer te brengen. De wet van Mozes schreef voor dat alleen de dieren die onberispelijk waren, geofferd mochten worden. In deze psalm lezen we niets over het offerdier. Dat is eigenlijk een beetje apart en onverwacht. Waarom zou David daar niets over zeggen?
 

David heeft een aantal leermomenten in zijn leven gehad. Het is aannemelijk dat hij ook geleerd heeft van de fouten van zijn voorganger Saul. Saul mocht niets buitmaken na zijn overwinning op de Amalekieten, maar toch nam hij het beste vee mee terug. Hij wilde zijn buit gebruiken als offer, dat klinkt misschien heel vroom, maar was in feite lekker uitgekookt, want dan hoefde niemand zijn eigen dieren te gebruiken als offer. Met deze actie was hij ongehoorzaam, omdat hij de opdracht had gekregen geen buit mee te nemen. Daarna kreeg Samuel een boodschap van God voor hem: “Schept de Heer meer behagen in offers dan in gehoorzaamheid? Nee! Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen” (1 Sam 15:22) Dit waren de rake woorden van Samuel. Wat bedoelde hij met gehoorzaamheid? Saul wist dat hij niets mee mocht nemen, hij deed niet wat goed was in Gods ogen. WEES GOED, dat is belangrijker dan offers, en dat is nou precies wat psalm 15 ons probeert te leren.
 

De boodschap dat God meer waarde hecht aan een goed leven dan aan offers kun je in heel de Bijbel terugvinden. Denk bijvoorbeeld aan de woorden van Hosea die zegt in Hosea 6 vers 6: “Want liefde wil ik, geen offers, met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.”

(Andere overeenkomende teksten zijn: Jesaja 1, Amos 5, Micha 6, psalm 24 en Jeremia 7)
 

En dan weer terug naar Jeruzalem in de tijd van David. David heeft zijn inspiratie gehaald uit zijn voorbeelden van onder andere de profeet Samuël en Saul en uit de ervaringen met God in zijn eigen leven. Hij heeft geleerd dat het niet om dierenoffers draait, maar om een goed leven. Heeft hij het dan echt niet over offers, in Psalm 15, of stiekem toch wel? … Nou, misschien heeft David het toch wel over een offer! Maar David heeft het nu niet over een lammetje dat helemaal gaaf en perfect moet zijn, maar over de mens die helemaal gaaf en zuiver is. Misschien wil David met deze psalm dus wel zeggen dat het beste geschenk waarmee we naar God toe kunnen gaan, ons eigen leven is: een zuiver leven: dat is wat God interesseert! Zulke mensen mogen zelfs bij God blijven wonen.

Maar hoe ziet zo’n ‘perfect offer’ er dan uit? Wat verwacht God dan van de mens?

 

Vers bespreken

Diezelfde vraag stelde David in psalm 15 en het mooie is; Het antwoord staat erbij!
Het antwoord begint met de volgende woorden:
 “Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is, wie oprecht de waarheid spreekt.”
Doet wat goed is, wil wat zeggen over de manier hoe je door het leven wandelt. Hoe stippel jij je toekomst uit? Welke keuzes maak je? Kies je voor een goede en volmaakte weg, of ga je soms kort door de bocht en neem je even een minder positieve sluiproute, om je doel te bereiken? Heb je een hoge moraal? De verzen lijken direct naar ons hart te kijken. Is er harmonie tussen wat je doet en je overtuigingen?


Als we verder lezen dan staat er het volgende: “ Hij doet niet aan lasterpraat, benadeelt de ander niet en drijft geen spot met zijn naaste.” En wat we hier lezen is wel opvallend, want vaker in de bijbel zien we dat er zo over lasterpraat wordt gesproken. Gesproken woorden hebben kracht, positief en negatief. Als we kijken naar Jozef, de man van Maria dan is dat een geweldig voorbeeld. Zijn vrouw werd zwanger en hij moest geloven dat het een wonder van God was! Hij besloot om haar niet belachelijk te maken of openlijk te schande te zetten maar wilde stilletjes bij haar vertrekken, om haar niet te schaden! Het interesseert God dus wat wij doen met onze mond, en niet alleen wat wij zeggen in het openbaar, maar soms ook fluisteren onder vier ogen bepaalt of God ons geschikt vindt om op zijn berg te wonen.
 

“Hij veracht wie geen achting waard is, maar eert wie ontzag heeft voor de HEER.”
Hij veracht wie geen achting waard is” : Heb jij wel eens bewondering voor mensen die je overduidelijk niet zou mogen bewonderen. Bijvoorbeeld een stoere pestkop, of een gewiekst crimineel dat het indruk maakt. Of iemand die geen respect heeft voor de rechten van een ander, maar toch bewondering oproept, omdat hij zo’n lef heeft. Of iemand die vreselijk roddelt, maar die je toch bewondert omdat ze zo knap is en zich zo goed kan kleden?
Ik heb zelf erg opgekeken naar jongens die een enorm sterke image konden opbouwen, ook al ging dat vaak ten koste van anderen. Eigenlijk zou je voor zulke jongens geen enkele sympathie moeten voelen, maar toch maakten dit soort jongens indruk op mij. We moeten ons niet laten verleiden door een aantrekkelijke verpakking als de inhoud niet goed is. Dit kan op heel veel vlakken worden toegepast: op het uiterlijk van mensen, op leiders in de politiek, maar ook op religieus vlak, bijvoorbeeld als mooie rituelen in plaats komen van echte heiligheid. Een rechtvaardige laat zich niet misleiden door de aantrekkelijkheden van het kwaad. Een onrechtvaardige accepteert misschien een stukje kwaad als hij er dingen voor terugkrijgt die hem goed uitkomen, maar de rechtvaardige “veracht wie en wat geen achting waard is”, terwijl hij respect heeft voor iedereen die God eert.

 

De laatste eigenschappen die David dan benoemd zijn dat hij “Zijn eed niet breekt, al brengt het hem nadeel, voor een lening vraagt hij geen rente, hij verraadt geen onschuldigen voor geld.”. De rechtvaardige buit de zwakken en weerlozen niet uit, maar zal zijn eed nakomen, zelfs als het hem nadeel brengt. Het woord dat een rechtvaardige spreekt, betekent dus iets. Hij of zij is geen draaikont, maar komt zijn beloftes na, ook al is dat in zijn eigen nadeel. Een rechtvaardige is dus betrouwbaar in wat die zegt en wat die doet.

 

Het eindigt dan als volgt: “Wie zo doet komt niet ten val.”

Dit is toch een apart einde van de psalm, of niet soms? Is dit echt een antwoord op de vraag? De vraag was toch wie bij God mocht wonen?
Je zou een conclusie verwachten en iets als “als je dit doet, krijg je een plekje op Gods berg”, of misschien “als je je aan deze dingen houdt zul je succes hebben en zul je gezegend worden met rijkdom” Maar het antwoord is: Je komt niet ten val!


He! Dat is wel opmerkelijk, denk je niet? Het laatste vers kan vanuit het Hebreeuws ook vertaald worden als: “Wie zo handelt, zal niet wankelen in eeuwigheid!”. Het lijkt wel, alsof David ons op een subtiele manier wil laten weten, dat als je zo leeft, je veel meer krijgt dan rijkdom, eer en zegeningen: de dood, die de wereld binnen gekomen is door de ongehoorzaamheid, heeft geen vat op je – je zult nooit meer ten val komen, maar een plek krijgen op Gods heilige berg.

 

Outro

David schreef dus een korte psalm, die begon met de vraag wie welkom was in de nabijheid van God. Daarna gaf hij ons het antwoord in de beschrijving van een rechtvaardig mens. Aan het eind concludeerde hij dat wie zo leeft, niet zal wankelen in eeuwigheid. Komt dit je niet bekend voor?

In de Bergrede, begon Jezus eigenlijk op dezelfde manier en gaf Hij een heel vergelijkbaar antwoord. Hij begon met vertellen voor wie het koninkrijk van God bestemd is. Daarna beschreef Jezus hoe het leven van een kind van God eruit ziet in de praktijk – en hoe belangrijk het is hoe je met je medemens omgaat. Hij zei dat we onze medemens niet mogen uitschelden of dwaas noemen, en dat alles wat we zeggen betrouwbaar moet zijn: ons ja moet ja zijn en ons nee nee. Hij zei ook dat we onze spullen aan mensen in nood moeten uitlenen zonder er een probleem van te maken (Mat 5:42). Jezus concludeerde ‘u zult volmaakt zijn, zoals ook uw hemelse vader volmaakt is’ (Mat 5:48). Zie je de parallellen? Het lijkt wel alsof de bergrede Jezus’ versie is van Psalm 15! En waarmee eindigde Jezus de bergrede?


Jezus eindigde met de vergelijking van de wijsman die zijn huis bouwde op de rots. “Wie deze woorden hoort maar er niet naar luister kan vergeleken worden met iemand die zijn huis bouwt op het zand, het zal instorten als het water komt. Maar wie er naar handelt kan vergeleken worden met iemand die zijn huis bouwde op de rotsen, als de regen komt blijft het staan, het zal niet wankelen!” Ziet u de overeenkomst met het niet wankelen uit Ps 15?
 

Maar laten we eerlijk zijn, dit niveau bereiken is uitermate uitzonderlijk. Kunnen we echt zo volmaakt worden als David en Jezus ons voorhouden? Hebben we inmiddels al niet zo veel fouten gemaakt, dat we dit nooit kunnen bereiken? Misschien is de trieste conclusie na het lezen van deze Psalm en de bergrede, dat wij helaas geen van allen mogen gaan wonen op de heilige berg van God?

Maar gelukkig is er goed nieuws! Want omdat Jezus onze volmaakte plaatsvervanger is, zijn we “in Hem” volmaakt. De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. Daarom kunnen we door Hem op Gods berg wonen. God stuurt zijn heilige Geest om ons te veranderen in de personen zoals we echt bedoeld zijn. Door Gods hulp gaan we steeds meer worden zoals Jezus. Denk je dat je niet goed genoeg bent voor God? Praat jezelf de put niet in! Want God weet dat geen mens dit uit zichzelf kan bereiken. Juist om ons te redden van ons onvermogen, heeft Hij Jezus gestuurd. En Jezus roept jou, hij roept jou om tot hem te komen. Hij is gekomen voor de zieken en de verdrukten.

Hij is gekomen voor de mensen die steeds weer opnieuw falen. Hij is gekomen voor de mensen die beseffen dat ze niet sterk genoeg zijn. Hij wil je een nieuw leven geven en je schoonwassen. Door de doop in water verbindt je je in dit nieuwe leven met Jezus. Bij de keuze voor hem ziet hij je alsof je al samen met hem bent opgestaan. Hij maakt ons witter dan sneeuw. Door zijn overwinning brengt hij ons licht en God gaf ons de overwinning op de dood. Dankzij Hem ben je in Gods ogen nu al volmaakt. Niet dat je al volmaakt bent, maar als God in je leven komt, gaat Hij met je aan de slag en weet Hij dat je op een dag wel echt volmaakt zult zijn. Hij brengt je stapje voor stapje, met vallen en opstaan, daar naartoe. En zolang je met Hem onderweg bent, is Jezus de bedekking voor al je zonden.

Wie mag dan op Gods berg wonen? … Jij, dankzij het werk van Jezus!

 

Gelukkig wie nederig van ​hart​ zijn, want voor hen is het ​koninkrijk van de hemel.

Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.

Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.

Gelukkig wie hongeren en dorsten naar ​gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen ​barmhartigheid​ ondervinden.

Gelukkig wie zuiver van ​hart​ zijn, want zij zullen God zien.

Gelukkig de vredestichters, want zij zullen ​kinderen​ van God genoemd worden.

Gelukkig wie vanwege de ​gerechtigheid​ vervolgd worden, want voor hen is het ​koninkrijk van de hemel.

Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

Amen!

 

Allard Huizinga

 

 

Contact