Het tweede wee

Het tweede wee

Ik schrijf dit stukje, om zelf een beter begrip te krijgen over wat er gebeurt onder de zesde bazuin. Met name wat er bedoeld kan zijn met die zeven donderslagen, die Johannes wel hoort en kennelijk ook begrijpt, maar als hij ze op wil schrijven dat niet mag doen, maar ze moet verzegelen (Op. 10:4)

In Openbaring acht vers dertien, ziet en hoort Johannes in zijn visioen, hoog aan de hemel, een arend vliegen, die roept met een luide stem: Wee, Wee, Wee hen die op de aarde wonen vanwege de drie laatste engelen die nog zullen bazuinen. Dit alles gebeurt in de tijd van de zeven bazuinen, die beschrijven wat er in de heilsgeschiedenis zou gebeuren, vanaf de hemelvaart tot de wederkomst. Deze uitroep van de arend vindt plaats aan het eind van de vierde bazuin, Op.8:13. Als het zo is dat de bazuinen parallel lopen met de gemeenten en de zegels, dan is dat aan het eind van de grote verdrukking van de middeleeuwen. Die vierde gemeente, (zegel en bazuin), eindigt in 1798, als de paus gevangen genomen wordt.

Het eerste Wee zou dan eindigen met de overgang van de vijfde naar de zesde gemeente, (zegel, bazuin). In hoofdstuk negen vers twaalf eindigt het eerste Wee. Vanaf vers dertien van het negende hoofdstuk begint daarom het tweede Wee.

Dat tweede Wee is daarom zo interessant, omdat er nogal veel in gebeurt. Het loopt helemaal door tot hoofdstuk elf vers veertien.

 

De zesde bazuin.

De zesde bazuin begint met een stem die uit het gouden altaar komt dat voor God staat. Die stem roept de zesde engel met de bazuin op, om de vier engelen die bij de rivier de Eufraat gebonden zijn,  te ontbinden. Als zij eenmaal vrij zijn wordt een derde deel van de mensen gedood. Het getal van de cavalerie, die dit doet, wordt gegeven als twee maal tienduizend tienduizendtallen (200 000 000). De beschrijving van de paarden en hun berijders laat zien dat wij hier niet te maken hebben met een letterlijk leger (welk leger rijdt nog op paarden?). Ik denk dat het in dit stukje vooral gaat om de plaats waar het gebeurt, de Eufraat, en de aanduiding een derde. De Eufraat komen wij ook weer tegen in de zesde plaag, waar wordt gezegd dat haar water zal opdrogen. (Lopen die plagen daarom ook parallel met de gemeenten, de zegels en de bazuinen?)

Dit stukje vraagt om een geestelijke uitleg. De Eufraat is de rivier waaraan de stad Babel lag. Die rivier staat nu, geestelijk, voor mensenmassa’s die het Babylon van onze tijd dienen (zie Op. 17). Deze mensenmassa zal in de toekomst opdrogen (is al aan de gang!).  Waar staat dat een derde van de mensen voor, die gedood zouden worden? Zal er een oorlog komen, waarin een derde van de mensen zullen sterven? Of gaat het om het een derde van de mens? Als wij de mens verdelen in geest, ziel en lichaam, dan is satan vooral geïnteresseerd in dat deel van de mens, waar de mogelijkheid om een bewuste keuze te maken ligt, de ziel. Satan wil niet een derde van de mensen doden, hij wil de aanbidding van  honderd procent van de mensheid.

 

Hoofdstuk 10.

Hoofstuk tien staat helemaal in het teken van een engel die vanuit de hemel neerdaalt. Hij wordt zo beschreven dat het duidelijk geen gewone engel is. Hij is gekroond met een regenboog, het symbool van Gods verbond met de mensheid. Nee, deze engel is niemand anders dan Jezus in Zijn Goddelijke heerlijkheid.

Als Hij begint te spreken, dan is Zijn stem als het geluid van een leeuw die brult. Wij zijn nog steeds onder de zesde bazuin, de tijd vlak voor het einde van deze wereld. Satan weet dat hem nog maar weinig tijd rest. Van satan staat geschreven dat als de tijd ten einde spoedt, hij zal rond gaan als een brullende leeuw, die ziet wie hij nog kan verslinden. Wij hebben hier en nu daarom te maken met twee wezens, die beiden luid en duidelijk willen laten horen wat hun boodschap is, de één is de Leeuw uit de stam van Juda. De ander claimt die plaats. De ene Leeuw is eigenlijk een Lam, de andere is een slang.

De donderslagen spreken.

 

Als de Engel roept, laten de zeven donderslagen hun stem horen. Deze donderslagen worden hier omschreven, als wezens die kunnen horen en spreken. En dat wat zij spreken, is zo overdonderend dat als Johannes het op wil schrijven, God hem dat verbiedt. Hij zegt tegen Johannes: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf het niet op. Dit is des te meer bevreemdend, omdat diezelfde Engel daar staat te wachten, met een geopend boekje dat hij aan Johannes geven wil.

 

Het geopende boekje.

Als dat boekje, dat in de hand van de Engel is, uitdrukkelijk beschreven wordt als geopend, dan moeten wij in de bijbel zoeken naar een boekje wat aanvankelijk gesloten was. Dat boekje moet dan informatie bevatten, dat speciaal bedoeld is voor de eindtijd, de tijd waarin wij nu leven. Voor zover ik weet, zijn er maar twee boekjes die daarvoor in aanmerking komen. Als eerste is daar het boek van de profeet Daniël. Van dit boek wordt heel duidelijk gezegd, dat het verzegeld moest worden tot de tijd van het einde. Dan is er in het vijfde hoofdstuk van de Openbaring een boekrol in de hand van een engel die omschreven wordt als: Verzegeld met zeven zegels. Daar wij hier in Openbaring tien zijn aangeland onder het zesde zegel (zesde gemeente en zesde bazuin) zijn er reeds zes zegels verbroken, het is daarom bijna geheel geopend. Het gaat hier om dat bijna. Die donderslagen weten kennelijk iets wat er onder de zevende bazuin (zegel, gemeente) gebeurt. Daar dat zegel nog niet is verbroken, mag die informatie ook nog niet worden meegedeeld. Pas als dat laatste zegel wordt verbroken door de Leeuw uit de stam van Juda (het Lam), zal de laatste bazuin klinken. Pas dan is alle informatie (ook de donderslagen) bekend. Als het daarentegen het boek van de profeet Daniël is, dat in de hand van de Engel ligt, dan mogen wij speculeren, wat die donderslagen te zeggen hebben.

Het boek van Daniël is in de laatste twee honderd jaar veel bestudeerd. Duizenden hebben onderzoek naar zijn inhoud gedaan en de kennis ervan is vermeerderd. Juist zoals het boek van zichzelf profeteerde. Als het dat boek van Daniël is dat in de hand van deze Engel ligt, dan lijkt het in tegenspraak met dat de kennis in de eindtijd omtrent dit boek zou vermeerderen. Er staat ook niets in de profetieën van Daniël die doen vermoeden, dat een deel, ook niet in de eindtijd verzegeld zou blijven. Ook wordt er door Daniël niet verwezen naar donderslagen of stortregen.

 

Speculatieve uitleg.

Als wij iets in het Nieuwe Testament niet begrijpen, dan moeten wij naar het Oude Testament gaan, om te zien of er daar extra informatie is, die ons helpen kan. Johannes maakt het ons makkelijk in dat opzicht, omdat hijzelf vrijwel iedere tekst uit het Oude Testament haalt.

 

Als wij de moeite nemen om naar 1 Samuël 12:17-18 te gaan dan zien wij daar dat het volk een aardse koning verlangt in plaats van een hemelse. God als koning had voor de meeste Israëlieten afgedaan. Samuël is aan het eind van zijn leven en neemt afscheid van het volk door een wonder van God te vragen. Het is de tijd van de tarweoogst, de droogste en heetste tijd van het jaar. De tarweoogst valt ook samen met het pinksterfeest. Samuël vraagt aan God om als getuigenis van Zijn afkeer dat het volk een aardse koning heeft gevraagd, regen en donderslagen te geven, wat dan ook gebeurt.

Ook wij leven in een tijd dat de meeste mensen niet onder de wetten van God willen leven. In de tijd van Samuël gebeurde dit wonder van de donderslagen en de regen tijdens de tarwe oogst. Ook onze tijd, de tijd vlak voor de wederkomst, is een tijd dat de (tarwe) oogst wordt binnen gehaald, dat is de oogst van de mensen die nog wel willen dat God Koning over hen is. Ook wij hebben te maken met een tijd van grote droogte. Waar op de eerste pinksterdag na de hemelvaart er een uitstorting was van de Geest (de vroege regen) daar smeken en bidden wij nu om de late regen.

De Engel die met zijn ene voet op de zee staat en met de andere op het land, zweert: Er zal geen uitstel meer zijn maar op het moment dat de zevende en laatste engel op zijn bazuin blaast wordt het geheimenis van God openbaar, zoals hij dat aan de profeten heeft geopenbaard. Ook de donderslagen?

 

De opdracht.

Johannes krijgt weer een opdracht, hij moet naar deze Engel toegaan en hem vragen hem het boekje te overhandigen. Tegelijk met het boekje krijgt hij ook de opdracht om het boekje op te eten. Het lijkt vrij eenvoudig want het smaakt naar honing, maar in de buik verandert de smaak in bitterheid.

Dit is duidelijk een profetie, niet een letterlijk eten van een boek, maar het bestuderen van een (profetische) boodschap en die bekendmaken. Deze boodschap valt nog steeds onder de zesde bazuin (gemeente, zegel). En het is zeker geen lokale boodschap, hij moet aan de hele wereld verkondigd worden.

De vraag is moeten wij dat doen zonder dat wij weten wat die donderslagen te zeggen hebben, en wat erger is, zonder dat wij geholpen worden door die plensbuien van de late regen? (de uitstorting van de Heilige Geest in ongekende mate).

 

Hoofdstuk 11.

Het elfde hoofdstuk zit vol met getallen, die als wij ze wat nader bekijken, veelal bij elkaar horen. Johannes krijgt een meetlat met de opdracht om de tempel van God te meten, ook moet hij het altaar meten en hen die daarin aanbidden. De voorhof die buiten de tempel is moest hij niet meten, want die was aan de heidenen overgegeven. Die heidenen zouden de heilige stad ook twee en veertig maanden lang onder de voet lopen.

 

Welke tempel?

Het is moeilijk om aan te nemen dat het hier gaat om de tempel in Jeruzalem, die was al jaren daarvoor door het Romeinse leger met de grond gelijk gemaakt. Als het niet de tempel in Jeruzalem was, dan blijven er nog twee mogelijkheden over. Het lichaam van de gelovigen, die in de bijbel ook een tempel van de Heilige Geest wordt genoemd. Dat lijkt ook onwaarschijnlijk, omdat ons lichaam geen voorhof kent, zoals de tabernakel en de tempel die hadden.  Of, en dat ligt meer voor de hand, de tempel in de hemel, daar waar God en Christus zelf verblijven. Dan zou de aarde de voorhof moeten zijn, die in de handen van satan en zijn volgelingen is.

Het meten van de tempel.

Johannes moet de tempel meten met een door de hemel gegeven meetlat (de wet?). Hij moet niet alleen het gebouw meten, maar meer in het bijzonder hen die op of in het altaar (het gouden wierook altaar?) aanbidden. Hier wordt zeker niet het brandoffer altaar bedoeld, want dat stond, zoals u weet, op de voorhof, en die moest nu juist niet gemeten worden. Wij zien ditzelfde altaar ook onder het vijfde zegel. Daar zien wij het als een plaats waar de zielen van de martelaren rusten tot de wederkomst (Op. 6:9-11). Die zielen roepen daar onder het vijfde zegel (gemeente, bazuin) wanneer wordt het oordeel nu eindelijk geveld. Het antwoord van God is, dat dat spoedig zijn zal. Dat meten wat Johannes te doen staat, lijkt daarom wel op het vellen van een oordeel. Niet een oordeel over de ongelovigen, (waar die zielen onder het altaar om roepen) maar één van de ware gelovigen, die God dagelijks lof en eer doen toekomen in Zijn tempel op het reukofferaltaar. De term voor dit oordeel, is het onderzoekend oordeel. Dit oordeel moet plaats vinden onder het zesde zegel, want onder het zevende is de wederkomst, en dan moeten de gelovigen vrijgesproken zijn (gemeten zijn). De ongelovigen worden gemeten (geoordeeld) in de duizend jaar als de gelovigen in de hemel zijn, en zij daar inzage krijgen in het oordeel.

 

De twee en veertig maanden.

De tijden die in hoofdstuk elf genoemd worden zijn twee en veertig maanden, twaalf honderd zestig dagen en drie en een halve dag. De twee en veertig maanden en de twaalfhonderd zestig dagen zijn natuurlijk dezelfde tijdsduur, het is ook drie en een half jaar. Deze tijd wordt meestal gezien als de tijd van de grote verdrukking, die begon in 538 en doorging tot de gevangenneming van de paus in 1798. Hier moeten wij dan wel gebruik maken van het principe dat in de profetie een dag voor een jaar staat. Maar wat moeten wij met die drie en een halve dag, profetisch drie en een half jaar?

Ik denk dat wij eerst naar die drie en een haf jaar in het leven van Jezus moeten kijken, anders lopen wij vast. Jezus kende een langdurige vervolging, dat is de tijd dat hij als Messias rondtrok, dat was drie en een half jaar (twaalf honderd zestig dagen). Maar daar was ook een kort durende vervolging, toen men Hem gevangen nam en vervolgens doodde, dat was drie en een halve dag. Hier in dit hoofdstuk zien wij dat die twee getuigen die met een zak bekleed zouden profeteren hetzelfde meemaken als hun Heer. De drie en een halve dag moet hier in de profetie dan ook gelezen worden als drie en een half jaar. Die drie en een half jaar van vervolging wacht die ons onder de zevende bazuin, of is die al geweest?

De twee getuigen.

Wie of wat zijn die twee getuigen? Zij worden ook de twee olijfbomen of de twee kandelaren genoemd (zie Zacharia het vierde hoofdstuk). De macht die ze hebben verwijst ons naar twee mannen in de bijbel. Ten eerste Elia die een droogte aankondigde van drie en een half jaar, waarna er vuur uit de hemel kwam. Als tweede Mozes, hij veranderde in opdracht van God water in bloed en gaf tien plagen aan de Egyptenaren.

Maar zowel Mozes als Elia leefden ver voor dat Johannes zijn Openbaring schrijft. Het kunnen daarom geen letterlijke mensen zijn. Nee! Ik denk dat Mozes staat voor de wet van God, (hij ontving die wet van God op de Sinaï). Elia staat dan voor de profeten van God, die ons proberen terug te leiden naar de wet van de God, die hem gegeven heeft.

Waar vinden wij die twee getuigen in onze tijd? Er moet ergens een kerk zijn die zowel de eeuwige rechtsgeldigheid van de wet van God verkondigt, alsook de profetieën van de hele bijbel gelooft en toepast.

Die twaalf honderd zestig jaar van vervolging heeft de kerk al achter de rug, die drie en een halve dag ook? Daar hoeven wij in ieder geval niet lang op te wachten, want vers veertien van dit hoofdstuk zegt: Het tweede Wee is voorbij gegaan, het derde komt spoedig.

 

Nog even geduld.

                                                                           Piet Westein.