Daniël H7

Daniël H7

Lees Daniël 7

 

Het zevende hoofdstuk is een parallel lopende profetie met Daniël twee. De profetie begint met Babylon dat wordt voorgesteld als een leeuw en eindigt met de herschepping. Het verschil met de vorige profetieën is dat Daniël nu zelf de profetie ontvangt en niet de uitlegger is. Hij heeft zelfs de hulp van een engel nodig, om het droomgezicht te verstaan. Wat wij ons eerst af moeten vragen is, waarom ziet hij dieren en nog wel onreine dieren? Het zijn allemaal roofdieren. Zij zijn een goed beeld voor de politieke machten van die tijd. Zij waren zeer wreed, en stoorden zich niet aan de morele wet van God.

 

Het eerste dier is een gevleugelde leeuw. Als wij in het oude Babel gaan kijken zien we ze nog overal uitgebeeld. Zoals de leeuw de eerste is onder de dieren zo is Babel de eerste (machtigste) onder de wereldrijken. De bekering van Nebukadnezar wordt uitgebeeld met de woorden, en het werd op zijn voeten gezet als een mens en het werd een mensenhart gegeven.

Het tweede dier is een beer, die zich op twee poten opricht. Hoewel het vele landen verovert tot en met Egypte zijn er toch maar twee rijken die de macht leveren, de Meden en de Perzen. In Daniël twee zijn het twee armen, hier twee poten waarop de beer staat. De drie ribben in de muil van de beer zijn drie rijken die de Meden en de Perzen hebben onderworpen, Babylon, Egypte en Lydia.

Het derde dier heeft vier vleugels, en is een panter. Zowel het panter zijn als de vier vleugels wijzen op de geweldige snelheid waarop het volgende rijk, het Griekse onder Alexander de Grote zich uitbreidt. De vier vleugels verwijzen waarschijnlijk naar de vier generaals die later het rijk onder zich verdelen.

 

Over deze drie dieren die verwijzen naar drie rijken is de profetie heel kort. Het vierde dier wordt uitgebreider beschreven, het is tevens het laatste dier, dus ook het laatste wereldrijk dat bestaan zal. Het is geen herkenbaar dier. In Openbaring 13:2 zien wij het zelfde beest, dat facetten in zich heeft van de eerste drie dieren. Op de kop van het vierde dier zien wij tien horens, tien betekent ook hier allemaal. Dit laatste dier vertegenwoordigt alle landen van deze aarde. Drie van de horens worden uitgerukt en er komt een kleine hoorn voor in de plaats, die wel klein begint maar groter wordt dan alle andere horens. Als het zo is dat een hoorn een politieke macht voorstelt, en wij willen weten welke macht deze kleine hoorn vertegenwoordigt, zullen wij moeten zien wat er nog meer van hem vertelt wordt.

 

Er staat dat hij mensenogen heeft en een mond vol grootspraak. Vers 20 zegt dat hij groter wordt dan alle andere horens en vers 21, dat hij strijd voert tegen de heiligen en hen overwint, en het zou duren tot de wederkomst. Vers 25 zegt dat hij er op uit zal zijn tijden (feesten) en wet te veranderen.

Laten wij zien of wij een macht kunnen vinden die uit het vierde rijk, dat is het romeinse keizerrijk voortkomt. Het moet een macht zijn die wereldwijd zijn machtsgebied heeft, en denkt de wet van God te kunnen en mogen veranderen. Verder moet het zijn visie met dwang aan een ander opleggen. Het moet dus een politiek-religieuze macht zijn met een wereldwijde invloed. Er lijkt maar één macht te zijn die daaraan beantwoort, dat is de rooms-katholieke kerk. Zij is voortgekomen uit het romeinse keizerrijk, heeft zijn machtsstructuur overgenomen, heeft de gelovigen vervolgd, heeft de feesten van God veranderd, en de wet van de tien geboden mismaakt.

 

Het gaat hier niet om de rooms-katholieke gelovige als individu, maar om een machtsstructuur, die zich tegen God en zijn geboden verzet, en de ideeën van de mens daarvoor in de plaats stelt. De tijd dat deze macht zou regeren, wordt gegeven als een tijd, tijden en een halve tijd. Een tijd in deze tekst staat voor een jaar. Dezelfde tijdsperiode vinden wij in Openbaring 11, daar wordt deze tijd omschreven als 42 maanden of 1260 dagen. 42 maanden is drie en een half jaar, 1260 dagen is ook drie en een half jaar en een tijd, tijden en een halve tijd is ook drie en een half jaar.

 

Dat het geen letterlijke dagen zijn blijkt wel uit de manier waarop de profetie gegeven wordt en dat het zou lopen tot de tijd dat, “de vierschaar zich zou zetten,” vers 26, dat is de tijd van het einde. Een dag van deze tijdsprofetie geldt dan ook voor een jaar. Er wordt geen begin of einddatum van deze profetie gegeven, terwijl het toch een tijdsprofetie is. Wij zullen het begin of het eind van deze profetie dus ergens anders vandaan moeten halen, want een tijdsprofetie zonder begin of einddatum is zinloos, je weet dan nooit op welk tijdvak hij slaat. Wij wachten met de tijdsaanduiding tot het volgende hoofdstuk want daar wordt een profetie gegeven met een begintijd, waarvan wij bij deze profetie misschien gebruik kunnen maken.

 

Net als bij Daniël twee, eindigt dit hoofdstuk met het herstel van alle dingen, en de oprichting van een eeuwig Godsrijk.

 

Piet Westein